Nooit meer Auschwitz 2
Ik zit in de trein en er zitten twee Marokkaanse meisje in het vierzitje naast me. "Heb je gisteren die Auschwitzherdenking gezien", zegt het ene meisje tegen het andere. 'Mooi, zij hebben het er ook over dus het leeft ook bij hun', denk ik. "Ja, heb ik gezien. Mijn broer zegt altijd, jammer dat die Duitsers het niet beter hebben gedaan. Ze hadden ze allemaal moeten vergassen". "Ja dat denk ik ook", antwoordt de ander weer.Een pijnscheut treft mijn hart. Ik probeer na te denken, maar m'n lichaam trilt. Ik wil wat zeggen. Ik wil door het treinstel schreeuwen, maar er komt niks uit mijn mond. Ik denk na wat ik wil zeggen, maar hoe adrem ik anders ben, er komt niets. Er waaien zinnen door mijn hoofd. Dat ze hun mond moeten houden. Dat als zij hier zestig jaar geleden hadden gewoond dat ze ook de klos waren geweest. Dat anti-semitisme ook anti Arabisch betekent. Dat ze hun volk te schande maken, dat ik medelijden heb met Marokkanen die wel hun best doen te integreren. Dat ik verdomme toch ook respect voor hun heb. Maar ik bedenk me. Ik weet dat er moslims zijn die zo denken, maar op de een of andere rare manier verwachtte ik dit niet van meisjes die zo goed Nederlands spreken. En het doet juist zo veel pijn, omdat ik wel voor Moslims wil openstaan. Dat ik niets tegen hen heb, terwijl mijn vader uit een Moslimland komt waar ook Joden vervolgd worden. En dan dit. Terwijl ik gisteren nog een vreselijke documentaire zag op de BBC. Terwijl de tranen nog vers zijn en mijn hart nog pijn doet. Terwijl ik gisteren nog over 'nooit meer Auschwitz' schreef. Ik bekijk de meisjes nog eens goed. Ze zien er, op hun hoofddoekjes na, modern uit. En ik leg me er bij neer. Dat het geen zin heeft om ze tijdens de treinrit, voor hoe lang die nog duurt, de hele holocaust te gaan uitleggen. De trein nadert een station en de meisjes staan op om uit te stappen. Ik kijk ze na, door het gangpad en ik zoek ze met mijn ogen op het perron. Het perron dat vol met sneeuw en ijs ligt. Ik zie één van de meisjes wild zwaaien naar iemand en ze versnelt haar pas. Opeens gaat ze onderuit. Ze trekt het andere meisje met zich mee en die valt met haar hoofd op een bankje. Ik zie dat het pijn doet, maar ik kan mijn glimlach niet onderdrukken. De jongen naast me barst in lachen uit. En ik denk: 'Misschien is er toch wel een soort god. Want god straft onmiddelijk. En als deze god zijn werk een beetje goed heeft gedaan dan zitten haar hersentjes weer op hun plaats'.
Al 22 reacties
Trackback link: http://www.desalniettemin.com/pivot/tb.php?tb_id=132









